Zinloosheid

Nergens vindt de mens een diepere betekenis, een hoger doel of hoe hij de zin van het leven ook noemt. God is dood, zei de filosoof Nietzsche al. Hij bedoelde daarmee te zeggen dat we de wereld steeds meer zijn gaan zien als een mechanisme: een onpersoonlijk, kil geheel van natuurwetten dat werkt zonder bedoelingen, maar er gewoon is. Uit zo'n wereld kunt u geen doelen voor uw eigen leven afleiden. 

De socioloog Weber had het over de ´onttovering´ van de wereld. De wetenschap heeft een hoge vlucht genomen en de wereld gestript van elke betovering. Elke keer als iets wetenschappelijk verklaard kan worden verliest de wereld namelijk aan magie. Bij wetenschappelijke verklaringen komen geen bedoelingen meer kijken. 

Het maakt nogal een verschil of iets verklaard wordt met of zonder bedoelingen. Neem bijvoorbeeld het weer. Als het weer het werk is van weergoden dan betekent het weer iets. Dan is het een uitdrukking van de bedoelingen van de goden. Misschien bedoelen ze dat u volgend jaar toch echt moet stoppen met roken. Als het weer echter het resultaat is van onpersoonlijke, kille factoren als hoge en lage drukgebieden dan heeft het geen betekenis meer, dan is het weer iets wat er gewoon is.  

Er zijn tal van ontdekkingen geweest die het voor de mens steeds moeilijker maken om nog ergens betekenis in te zien. Een paar voorbeelden.  

Neem de Copernicaanse omwenteling. Zonder historisch juist te zijn, zou u kunnen zeggen dat de aarde voor Copernicus in het midden van het heelal stond. De aarde stond niet zomaar in het midden. Dat had een betekenis. Voor de middeleeuwse mens was het hele zijn doordrongen van een redelijkheid en het resultaat van een hogere macht. Iets dat in het midden stond was belangrijk. 

Na Copernicus, toen men wist dat de aarde eigenlijk om de zon draaide, was de aarde gewoon een planeet net als alle andere geworden. Of, zoals de filosoof Heidegger het verwoordde, de aarde was niet meer een plek waar in we leefden, maar een object geworden dat we voor ons geestesoog konden zien hangen als een blauwe bol in de onmetelijke ruimte, toevallig daar terechtgekomen in een baan om de zon. 

Neem de evolutietheorie van Darwin. Ook hier pretendeer ik niet historisch juist te zijn, maar u zou kunnen zeggen dat we voor Darwin geloofden in het bijzondere van de mens. De mens was duidelijk iets anders dan een dier. Het betekende dus iets om mens te zijn, bijvoorbeeld dat u zich ook menswaardig had te gedragen. Na Darwin was de mens nog maar gewoon een evolutionaire toevalligheid.

Neem het onbewuste van Freud. Voor Freud geloofde de mens dat hij heer en meester was over zijn gedrag. Na Freud is ook dat beeld aangetast. De mens staat niet volledig aan het roer van zichzelf maar wordt geregeerd door onbewuste driften waar hij niet altijd van op de hoogte is. Wat hij doet draagt dan ook niet meer als vanzelfsprekend een betekenis met zich mee, maar kan net zo goed het resultaat zijn van onbewuste verlangens. 

Zoals u ziet probeert de wetenschap ook de mens zelf te verklaren. Hoe meer de wetenschap de mens kan verklaren, hoe minder het nog betekent om mens te zijn. Immers, als de mens net als de wereld om ons heen te verklaren is, dan wordt de mens iets dat er toevallig is... en er net zo goed niet had hoeven zijn.

lees verder: Het wordt erger